43

Terwijl ik dit stukje schrijf ga ik verjaren. Over een vijftiental minuten om precies te zijn. Ik zal dan het tikken even staken om een kusje te stelen van mijn geliefde, maar niet lang daarna zal ik weder terugkeren naar mijn laptop.
Met het stijgen van de leeftijd is mijn verjaardag steeds minder belangrijk geworden. Waar ik als kind op 14 mei ‘s ochtends nog om 5 uur wakker werd van ongeduld en opwinding, zal ik vannacht waarschijnlijk pas zo rond hetzelfde tijdstip in bed stappen, met gevoelsmatig het idee dat het nog steeds de 13e is. Het enige verschil met normale zondagen zal zijn dat ik morgen een dagje vrij heb genomen, zodat ik geen wekker hoef te zetten. En als ik eerlijk ben kijk ik vooral uit naar dat uitslapen en niet zozeer naar mijn verjaardag.

43. Het zal de eerste verjaardag zijn, sinds pakweg mijn 16e, waarop ik amper iets mag drinken. Dat maakt de daginvulling lastig. Er is maar weinig dat ik echt leuk vind zonder drank. Ja, ik weet wel iets, maar daar kun je geen hele dag mee vullen. Tenminste, niet meer als je 43 bent.

Autorijden zou een optie kunnen zijn. Ik ben gek op autorijden. Een beetje op zijn Martin Brils met de Volvo door onbekende Nederlandse streken toeren, ergens bij een ouderwets dorpscafetaria een uitsmijter ham/kaas aansnijden en ondertussen de schaarse clientele met oog voor detail antropologisch monsteren op inspirerende input voor een stukje. Lijkt me geweldig. Maar ik heb geen column, en bovendien staat Sylvester, mijn eigen Volvo, bij de garage (versleten remblokken).

Bon. En dan ga ik nu dat kusje stelen.

Waar was ik gebleven? O ja, de dingen die ik leuk vind zonder drank. Ik geloof dat eerdergenoemde lijst uitputtend was, in de zin van dat ik niets anders meer weet te verzinnen. Ook niet nu ik daadwerkelijk 43 ben, en op slag ruim 2% ouder en wijzer.

De lijst van dingen die ik leuk vind met drank is een stuk langer. Of eigenlijk korter. Want hij valt in 1 woord samen te vatten: Alles.

Ik moest net denken aan dat nummer van Sheryl Crow; ‘All I wanna do’. Over dat zij en ene William, waarvan ze vermoed dat ie eigenlijk Bill, of Billy of Mac of Buddy heet of zoiet, in een of andere bar zitten, tegenover een carwash, ‘where all the good people of the world are washing their cars on their lunchbreaks’, en over dat ze houdt van ‘a good beer buzz, early in the morning’.
Hell yeah!
Dat gevoel, dat bedoel ik. A good beer buzz, early in the morning (the good peoples lunchbreak t.i. *smiley*), en dat dan alles vanzelf leuk wordt. Zelfs een wasstraat. Vooral als je doordrinkt ‘until the sun comes up over Santa Monica Boulevard’.

De tekst is goed. Het meisje minder, wanneer je de clip ziet. Het klopt voor geen meter, qua samenhang van vorm en inhoud. Je gelooft nooit dat Sheryl zo’n meisje is als ze tekstueel pretendeert te zijn. Toch werkte het. Hit.

Sheryl Crow heeft overigens daarna een relatie gekregen met Lance Armstrong, de wielrenner. Die hield niet zo van a good beer buzz early in the morning. De verhouding heeft dan ook niet lang geduurd.
Dus misschien was ze toch wel zo’n meisje. Maar dan eentje dat tegelijkertijd hield van resultaten. In dat geval had Sheryl het beter kunnen aanleggen met Armstrongs collega Floyd Landis, die in de Tour van 2006 na een stevig doorzakavondje met vrienden middels een monstersolo met 10 minuten voorsprong over de meet ging om uiteindelijk in het geel Parijs binnen te rijden. Okay, achteraf is ie betrapt op doping, maar daar gaat het niet om. Want neem bijvoorbeeld de Amerikaanse schaatser Chad Hedrick, Olympisch en wereldkampioen, die ‘m ook graag luste, vooral op avonden vlak voor het tournooi. Om over voetballers als George Best nog maar te zwijgen.
Wat ik wil zeggen: Drank gaat prima samen met prestaties.
Daar heb ik trouwens een verklaring voor: Levensvreugde. Onverklaarbare drang voelen om enorm te leven. Het is de enige reden waardoor we het ooit gewonnen hebben van die andere 199.999.999 zaadcellen. En als voor een soortgelijk urgentiegevoel 18 jaar later zo af en toe een drankje nodig blijkt, dan zeg ik: Doen!

Zo denk ik al ruim 25 jaar.
Morgen zal ik iets anders moeten verzinnen. Wil ik mijn baan behouden. En die wil ik graag behouden, want het is crisis. Enig confirmisme is geboden.

Dus waarschijnlijk ga ik morgen na het uitslapen richting een museum. Of naar de matinee van een film. Of de dierentuin. In ieder geval iets waarbij ik niet direct aan drank zal hoeven denken.
Maar liever was ik zonder resultaat in een bar tegenover een wasstraat gaan zitten. Met een grote pils. En dan had ik volkomen Zen met een brede grijns gekeken. Naar de wezenloosheid. Naar de mensen. En hun ongetwijfeld nuttige bezigheden.

 

Marktman

Ik woon nu al bijna 25 jaar in Amsterdam (in augustus is het zover; jubileum!), en heb zelfs tijdens nog meer jaren de hoofdstedelijke Vrijmarkt meegemaakt op Koninginnedag. Echter altijd als passieve consument, nog nooit als verkoper. Logisch natuurlijk, want het vergt een ongezonde mate van hersenverweking wil je zo debiel zijn om op een Nationale feestdag om 7.00 am op te staan, je het leplazerus te slepen met een berg aan afgedankte zolderkamerinhoud, een gammele marktkraam te improviseren, om vervolgens 10 uur lang aan een stuk door voor Jan Lul op dezelfde paar vierkante meters te moeten bivakkeren, terwijl de rest van de stad lekker aan het feestvieren is.

Toch bestaan die mensen. Mijn nicht bijvoorbeeld, staat al jaren tijdens Koninginnedag op de Noordermarkt met haar afgedragen jurkjes. Naar eigen zeggen verdient ze daar altijd een hoop geld mee. En omdat L. en ik eerder dit jaar hadden besloten onze al te enthousiast uitgedijde verzameling van tja, hoe zal ik het zeggen, spulletjes, eens aan een kritische blik te onderwerpen, ontstond na verloop van tijd op haast natuurlijke wijze het plan om ook eens een gokje te wagen als verkoper op de vrijmarkt.

Na lang wikken en wegen kwamen wij tot het besluit om het volgende assortiment in de aanbieding te gooien:
- Zo’n 1% van onze boekenverzameling
- Twee vuilniszakken kleding
- Een van mijn 4 pickups
- Een roeimachine
- Een divan
- Een rij van 4 authentieke Concertgebouwstoeltjes
- Een 3 meter lange decoratie-pop die we ooit hadden geplunderd tijdens het Boekenbal

Wie het bovenstaande lijstje eens goed overleest gaat vanzelf met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd tikken. Want inderdaad, sommige van de genoemde zaken zijn bepaald niet gemakkelijk te vervoeren. Voor ons als verkoper al nauwelijks, laat staan voor onze potentiele kopers. Aan de andere kant: wij waren zelf ook ooit zo gek geweest om de rij stoeltjes aan het einde van een Koninginnedag aan te schaffen, en van het Concertgebouw in Zuid helemaal naar Oud-West te rollen, dus wie wist.

Anyway. Gisteren, op 30 april, stonden wij om 7.00 op, zetten koffie (“hey, die kunnen we misschien ook verkopen!” riep ik), kleedden ons aan en vertrokken naar de grachtengordel om onze plek op te eisen die we de avond daarvoor netjes met behulp van een potscherf tot bezet gebied hadden gekrijt.
Van twee schragen en en plank maakten we een marktkraam waarop ik de boeken en de pickup uitstalde. Aan de reling van een trap hing L. mbv knaapjes de kleding op. Vervolgens zette ik de thermoskan koffie op tafel, schreef op een oranje A4tje een wervende tekst, ik nam een foto van het geheel en plaatste die op twitter, met de opmerking: “Zo, ik ben er klaar voor.”
Dit was de foto:

 

Daarna werd het tijd om de ingewikkeldere zaken naar de kraam toe te sjouwen. Zoals de roeimachine. En de divan. Die ik eerst uit elkaar bleek te moeten schroeven, want anders kreeg ik hem de etagedeur niet door, laat staan de trap afgesleept.
De 3 meterlange pop bleek dan weer een stukje gemakkelijker, want die was van kussenmateriaal en kon ik dus met een gerust hart simpelweg naar beneden flikkeren.

“Heb je al wat verkocht?” sms-te mijn beste vriend na een uurtje.
“Nog nul”, antwoordde ik.
“Zelfs geen bakje slappe koffie?”
Blijkbaar had hij mijn tweet gezien. “Zelfs dat niet”, texte ik terug.

Maar ik moet zeggen, toen ik de boekenbalpop eenmaal op de divan naast de kraam had geplaatst kregen we plotseling een stuk meer bekijks. De pop zag er als volgt uit:

Prompt begon het storm te lopen bij de kleren van L., en zowaar kreeg ik voor het eerst ook een aantal boeken verkocht.
“Die pop is een goudmijn!” highfiveden L. en ik.

Bij de pop had ik een oranje A4tje geschreven: “BOEKENBALRELIKWIE te koop voor het symbolische bedrag van slechts 1 euro”.
Dat bedrag werd al vlot geboden.
“Is ie daar echt voor te koop?” vroeg een kakjongen die even uit een bootje was gestapt om bij het cafe naast ons te pissen.
“Ben je bedonderd”, zei ik, en griste het papiertje van de pop af.
Ik leerde snel, als marktkoopman.
“Jammer”, zei de corpsbal, “hij was perfect geweest voor op onze boot.”

Vervolgens brak het moment aan dat ik de Concertgebouwstoeltjes naar beneden wilde gaan vervoeren. Ik had hiertoe aan enige pre-produktie gedaan om in Appelpoptermen te spreken, die eruit bestond dat ik de sleepkabel uit mijn auto had meegenomen. Mijn plan was om het 200 kilo wegende gevaarte middels een ingenieuze constructie waarbij trapleuningen en andere vastbindplekken een belangrijke rol speelden, langzaam naar beneden te laten zinken. Maar dat plan bleek die dag ervoor in mijn (dronken) gedachten eenvoudiger te zijn geweest dan in de actuele situatie, te weten: de altijd weerbarstige praktijk.
Ik krabbelde met de sleepkabel in mijn handen en mijn blik op het kolos een poosje over mijn kop. Toen besloot ik eerst maar eens een pils te gaan drinken om er met een sigaretje nog eens goed over na te denken.

Na de tweede pils wist ik de oplossing: “We vragen het gewoon aan twee gespierde voorbijgangers”, zei ik tegen L.
Ik heb het al vaker gezegd: De beste ideeen ontstaan als de fles in de man is.
“Vraag jij het?” vroeg L.
“Nee, het is handiger als jij het doet”, zei ik, “vrouwen helpen ze sneller.”
Ik ben een laffe lul, ik weet het.
“Hoeven ze alleen meer gespierd te zijn”,  vroeg L., “of moet ik nog ergens anders op letten?”
“Gespierd en vrolijk”, zei ik, “en een beetje dronken, maar niet te”.
Uiteindelijk viel onze keuze op twee vrolijke lange blonde gozers met een sixpack in hun hand en oranje shirts die om hun brede borstkas spanden.
L. sprak ze aan. Ze bleken uit Noorwegen te komen. En uiteraard wilden ze L. wel even helpen met haar ‘chairs’ naar beneden dragen.
Ze hebben er een half uur over gedaan. Doordrenkt van het zweet plantten ze de rij Concertgebouwstoeltjes uiteindelijk op de stoep.
“Heavy?” vroeg ik.
“Man, zzat wazz a bad motherfucker” grijnsde de blondste. De andere, die een hoedje op had, was het grijnzen enigszins vergaan. Lijkbleek stond ie uit te puffen. We boden ze ieder een vol bekertje Clairette aan, dat ze van harte accepteerden. Ze dronken het in 1 teug leeg. Alsof het water was. Misschien dachten ze ook dat het water was.
Anyway. We zwaaiden ze uit, en rolden de stoeltjes (er zitten wieltjes onder) naar onze kraam:

 

Een spannende tijd brak aan. De stoeltjes moesten per se vandaag verkocht worden. Weer naar boven sjouwen was geen optie.
Ze trokken veel bekijks. Antropologisch was het interessant om te zien dat ogen uit alle lagen van de bevolking er naartoe werden gezogen. Van Marokkaans straattuig tot en met bejaarde vrouwtjes met parelkettingen. Zelfs de politie te paard staarde er naar, en draaide het hoofd nog even om toen ze er voorbij waren. Gewillige kopers waren er ook zat, maar geen van allen zagen ze het zitten om ze naar huis te moeten vervoeren. Ze vroegen stuk voor stuk om ons telefoonnummer, om ze later in de week op te komen halen, maar dat had geen zin zeiden we. Ze moesten echt vandaag weg.

Het leek kansloos te worden. En mijn bier was ook al op. Toen kwamen er 3 kanondronken gozers langs. “Wij moeten echt die pop”, zeiden ze, “wat wil je er voor hebben?”
Ik twijfelde. “Ik geef je er een bier voor”, zei een jongen en zette een blik Jupiler op tafel.
Dat vond ik wel een goed bod. En ik wilde het al accepteren, maar toen viste hij in zijn broekzak en zei: “2 bier!”, en daarna trok ie er nog een uit zijn mouw en riep: “3 bier!”
Ik zei: “verkocht!”
“Vet!” riep de jongen, “nu hebben we al twee onzinnige relikwieen!” Een andere dronken vriend van ‘m toonde trots een tuinkabouter. Luid lallend verdwenen ze met de pop en de kabouter de massa weer in:

Om 17.00, bij het scheiden van de markt, hadden we nog steeds geen definitieve koper voor de stoeltjes. Ik begon langzaamaan onze kraam al af te breken. Een Frans meisje viste nog voor 1 euro het enige Franse boek uit ons aanbod, en een Amerikaanse kocht nog een jurkje, maar daarna leek het gedaan. Tot er een Portugese knul opdook. Hij staarde gebiologeerd naar de stoeltjes. Hij zuchtte: “Wow”
L. vertelde hem het nieuwe bedrag dat we er voor vroegen. We hadden onze vraagprijs inmiddels aanzienlijk verlaagd. Alles was nu meegenomen. “Now they are 75.”
De jongen zweeg. “70″, zei ze gehaast, “60!”
De jongen zei dat ie ze graag wilde hebben, maar dat ie eerst even zijn tas thuis moest zetten, en moest pinnen. Hij zou er zijn over een kwartiertje.
Na een kwartiertje was ie er niet.
“Nou”, dat was het dan, zei ik. En opende mijn laatste Jupiler.
Toen kwam na een half uur plotseling de Portugese jongen aanlopen. L. en ik sprongen verheugd op. Maar de jongen liep ons straal voorbij.
“Fuck! Wat een lul!” riep ik, want ik snapte plotseling wat die jongen aan het doen was. “Die is natuurlijk aan het kijken of we al weg zijn en misschien die stoeltjes hebben achter gelaten”, zei ik, “het was ook te mooi om waar te zijn.”
Ik nam nog een laatste slok pils en we wilden de pleiterik maken, toen de jongen een kwartier later opnieuw kwam aanlopen.
“Ah there you are!” riep ie.
Hij bleek ons niet meer te hebben kunnen vinden. Hij telde netjes 75 euro voor ons uit. Hij zei dat ie wist dat ie ze ook voor 60 mocht hebben, maar dat ze die 75 euro meer dan waard waren.

Geweldig. En terwijl de Portugese jongen de stoeltjes richting zijn huis begon te rollen, gaven L. en ik elkaar de zoveelste highfive van de dag. Deze was de mooiste. Omdat ie ons vertrouwen in de goedheid van de mens symboliseerde, dat die dag sowieso al bepaald niet was beschaamd, maar dat met die Portugese jongen een definitieve boost had gekregen.

Vrijheid

Afgelopen vrijdag was ik op de verjaardag van mijn ex-vrouw. Of eigenlijk niet echt haar verjaardag; het betrof een klein gezellig samenzijn om te vieren dat ze om 12 uur ‘s nachts zou gaan verjaren. Onze gemeenschappelijke vriend M. was ook aanwezig. Vriend M. zit vrij hoog in de boom bij het Ministerie van Financien.
“Die doorrekening van de Catshuisplannen door het CPB, volgens mij weet jij vast al wat de resultaten zijn”, viste ik, “of mag je daar niets over zeggen?”
“Ja”, grijnsde vriend M.
“Wat ja?”
“Ja, die resultaten ken ik, en daar mag ik inderdaad niets over zeggen.”
“Pakt het slecht uit voor de huizenprijzen?”
“Ik mag er niets over zeggen.”
“Echt niet?”
“Echt niet.”
Helaas was vriend M. met de auto, dus hem dronken voeren om de resultaten alsnog boven water te krijgen was geen optie.
“Jammer”, zei ik.

Even later was het 12 uur. Mijn ex-vrouw liet een fles Moet Chandon ploppen. We gaven haar 3 kussen en kregen een glas.
“Zo”, zei mijn ex-vrouw, “en dan mogen we nu allemaal een wens doen. Of weet je wat: Drie wensen. Drie diepste wensen. En die moeten we dan hardop aan elkaar vertellen. We doen het wens voor wens, en met de klok mee. Wie begint?”
Zo is mijn ex-vrouw, die is gek op onthullingsrondjes. En, dat moet ik haar nageven, zulks heeft als voordeel dat er zelden een stilte valt bij haar aan tafel.
Er passeerden een hoop diepste wensen de revue. Echt schokkend waren ze allemaal niet. Eerder voordehandliggend. Reken mee dat het hier louter relatief welgestelde vroege veertigers betrof. Ze varieerden van ‘Ooit een roman schrijven’ en ‘beter leiding kunnen geven door paard te leren rijden’ tot ‘een Corvette’.

“Wat moet jij nou met een Corvette?” zei ik tegen vriend M., “jij rijdt als een bejaarde homo!”
Of zo zei ik het niet, maar het is wel waar. Vriend M. is de veiligste chauffeur die ik ken. Hij slaat nooit ook maar een van de drie geexamineerde kijkbewegingen over bij het afslaan of het inhalen, zelfs niet als het druk is. Of als we haast hebben. Irritant. Maar wel veilig.
“Het gaat me om het gevoel van vrijheid”, zei vriend M., “hoogstwaarschijnlijk zou ik helemaal geen gebruik maken van het extra motorvermogen, maar het idee dat het kan is prettig.”

Vrijheid. Het woord was gevallen. Misschien is vrijheid wel het grootste verlangen van alle vroege veertigers. Het is de leeftijd waarop de hormonenspiegel langzaamaan begint te dalen, en je je realiseert dat er wellicht belangrijkere dingen zijn dan neuken. Namelijk zorgen dat je kunt blijven neuken, wilde ik zeggen, maar dat is flauw. Hoewel er een kern van waarheid in zit, met die dure sportauto’s en dat hele status en macht erotiseert-idee, maar over midlifecrises een andere keer.

Ik had het over vrijheid. Als je een relatief welgestelde vroege veertiger bent, dan heb je nomaal gesproken te schaften met een flink aantal vrijheidbeperkende constructies waar je al dan niet ongemerkt in verstrikt bent geraakt. En dan heb ik het nog niet eens over kinderen. Simpel voorbeeldje: Je hebt een goeie baan, verdient een hoop geld, ziet op funda.nl een mooi huis, je informeert eens bij de bank, en hoera: je mag een hypotheek nemen, en hup daar ga je. No way dat je ooit nog naar een baan kunt switchen die minder verdient, want dan moet je ook meteen je huis uit, dat je met verlies moet verkopen in de huidige markt, om nog maar te zwijgen over je kansen op een huurwoning in Amsterdam. Kansloos. Oftewel: je zit vast in je kutbaan, werkt je 11 maanden per jaar de tyfus om m in godsnaam niet te verliezen, en in de 4 weken dat je vrij bent recupureer je op een camping waar je al 10 jaar naartoe gaat, omdat je de puf niet meer hebt om iets nieuws te zoeken.

En tsja, als je dan, heel Youp van het Heksgewijs, gaat terugdenken aan je studententijd, waarin je wist rond te komen van 571 gulden(!) basisbeurs en een bijbaantje als vakkenvuller (150 gulden per maand), en desondanks in die tijd elke hoofdstad van Europa wist te bezoeken (Interrail! gouden concept), bijna dagelijks de kroeg frequenteerde en gaten in de dag kon slapen zonder dat iemand er wakker van lag, tegelijkertijd best behoorlijk proza schreef en gitaar speelde in een gevierd bandje, dan krabbel je jezelf toch weleens achter de oren: Waar ging het mis?

Het maakt niet meer uit. Het is te laat. Maar waar het nog niet te laat voor is, is mijn oude dag. Niet dat ik die normaal gesproken ga meemaken met mijn levensstijl, maar toch. Je weet maar nooit. Als ik iets heb geleerd in mijn leven is het wel dat je moet uitkijken om dezelfde fout niet twee keer te maken. Om met The Who, de band van het nummer ‘My Generation’ – “I hope I die before I get old”, te spreken: “We won’t get fooled again”.

De allerlaatste wens die ik tijdens de sessie bij mijn ex-vrouw te berde bracht, betrof mijn plannen inzake de persoonlijke invulling van mijn grijze jaren. En die hadden een hoop met vrijheid te maken. Of eigenlijk met de angst voor het gebrek daaraan.
Want let’s face it. Het is hedentendage al geen lolletje om in een verzorgingstehuis te bivakkeren, maar kun je nagaan hoe dat over pakweg 35 jaar is. Met de ontwikkeling van de driehoek voortschrijdende vergrijzing, personeelsgebrek en tijdgeest in gedachte.

Alweer een tijdje geleden las ik een roman (uit 2001), van ene Laurent Graff, uit Frankrijk. Die heet “Gelukkige dagen”. En gaat over ene Antoine die op zijn achttiende een graf koopt, met bijbehorende steen, waarin hij alvast zijn naam en geboortedatum laat graveren. Op zijn 35e is Antoine beland in een voortkabbelend huwelijk waaruit 2 kindjes zijn onstaan. Alles gaat goed. En dan besluit hij zijn intrek te nemen in een verzorgingstehuis, genaamd “Gelukkige Dagen”. Hij is nog volledig gezond van lichaam en geest, maar je kunt er nu eenmaal, heel verstandig, beter maar vroeg bij zijn, nietwaar?

Wat volgt is een mooi verhaal over een oudere vrouw die hij op een gegeven ogenblik op sleeptouw neemt. Met een hoop uitstapjes per auto naar de kust enzo, met witte wijntjes, en mosselen, en romantische Franse plattelandsweggetjes, als ik het me goed herinner. Of misschien was het zelfs een definitieve vlucht. Op het laatst gaat ze dood geloof ik. Ik weet het niet meer precies.
Wat ik nog wel weet is dat je in ieder geval niet in het verzorgingstehuis moest wezen. Maar juist bij de witte wijntjes en de mosselen. En de kust.
Mooi boek.

Een paar weken terug was bij Man Bijt Hond een serie te zien over een 50-jarige gozer, Don, die in het Haagse Verzorgingstehuis Woodstock verbleef. Hij was een ex-heroinejunkie. Afgekickt van de drugs, maar nog zwaar aan de methadon, en vooral aan de pils en de zware shag. Dat mocht in verzorgingstehuis Woodstock. Roken en drinken was geoorloofd. “Wij beschouwen het als een uitwas van de jaren 80, en willen de gebruikers uit die tijd netjes opvangen”, zei iemand van de gemeente, “dat vinden wij een stukje zorgplicht naar de bevolking toe, en wat het huisregelement van Woodstock betreft, ik erken dat wij daar een stukje pragmatische invulling aan geven, maar soms moet je, en dat klinkt misschien heel ingewikkeld, maar soms moet je out of the box denken om tot een bevredigende oplossing te komen voor alle partijen.”
“Er mag gerookt worden?” vroeg de verslaggever.
“Dat kan ik niet ontkennen.”
“Waar kan ik me inschrijven?” twitterde ik direct, een beetje in de geest van het personage Antoine van Laurent Graff.
Want ik was en ben bang dat zoiets als verzorgingstehuis Woodstock er niet meer gaat wezen als ik oud mocht worden.

En dat is natuurlijk ook zo.

En daarom heb ik een plan gemaakt. Dat ik uit de doeken deed tijdens mijn derde, laatste, en ultieme wens in het rondje bij mijn ex-vrouw.
Maar daarover een andere keer meer.

Liverpool 2012

Het is kansloos om nu iets te schrijven. Ga ik ook niet doen. Concentreer je even op de kop boven dit stukje en dan weet je, als je me een beetje kent, voldoende.

Afgelopen weekend was het namelijk weer zover. Liverpool. Er is een politicus waar ik verder totaal niet mee geassocieerd wens te worden, maar die ooit eens heeft gezegd: “Ik ben de beste president die Nederland nooit heeft gehad”. Iets soortgelijks heb ik met Liverpool: “Het was het beste weekend waar ik niets meer van weet.”

Oorzaak:  bekend

Het was ook niet handig. We moesten zaterdagochtendvroeg al om 7.00 am op Schiphol zijn. Wachtende op de eerste tram die de Overtoom zou aandoen, sms-te ik naar mijn Gelderse vrienden en mede-reisgenoten: “I Love the smell of pilz in the morning”.
Koud een half uur later haalde mijn beste vriend zijn dodelijke dobbelsteen uit zijn tas. Een dobbelsteen met zes vlakken, maar slechts twee tekstvarianten, te weten: “Ik haal bier” en “Jij haalt bier”.
Vriend A. was de eerste die ‘m opwierp, en gevoeglijk direct de lul. Om een lang verhaal kort te maken: Om 7.38 zaten wij in de taxfree-zone aan de halve literglazen Heineken 0 graden Celcius.

Voor de rest weet ik er weinig meer van. Behalve dat er sprake was van een snoepautomaat waarvan de deur op een gegeven moment openstond:

Ik heb heel bescheiden enkel een doosje Tictac gejat. Twee seconden later stond er een security-mevrouw voor mijn giechel. “Heeft u iets gestolen?” vroeg ze, terwijl ze de snoepautomaatdeur sloot.
Ik zei: “Ik niet.”
“Het wordt allemaal opgenomen met camera’s”, zei de vrouw.
“Ik was het niet”, herhaalde ik.
“Het was een neger”, zeiden mijn vrienden, grotendeels uit automatisme, naar de bekende Tielse running gag.
Daarmee was voor de security-mevrouw de zaak opgelost.

Maar goed, zoals gezegd: voor de rest weet ik er weinig meer van. Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Dit was op de WC van ‘The Grapes’, Mathewstreet, vlak naast de Cavernclub. Wij noemen het altijd “The Graves”, omdat de gemiddelde leeftijd van de doorsnee bezoeker ver boven de pensioengerechtigde leeftijd ligt.
Ik vond het een curieuze vorm van marketing, die automaat op de WC.
Maar blijkbaar werkt het, want de Grapes zat als vanouds weer stampvol met diehard barflies.
Of misschien heeft het met marketing niks te maken. Dat was vanmiddag een van de discussies geloof ik.

We hebben het in ieder geval een hele tijd gehad over dat we niet te veel moesten ouwehoeren. Met de volgende apotheose: Het ging er uiteindelijk over of je kon zien dat een meisje een string droeg of niet.
“Hoe zie je dat dan?” vroeg ik aan vriend A.
“Bij een broek kan ik dat zien”, zei ie.
“En bij een rok?” vroeg ik.
“Dat is lastiger. Die moet je eerst optillen.”
“Hoe leg je dat uit dan?”
“Niet.”
“Niet?”
“Nee, gewoon ‘m d’r in douwen.”
“En wat zeg je dan?” vroeg viend I.
“Niks. Hallo.”
“Wat Hallo?”.
“Ja, Jezus, wat een slap geouwehoer, het is geen praatpaal!”

En dan heb ik het nog niet gehad over vriend J. – “achteraf stom dat ik de deur open had laten staan” – die gisteren weer eens de Cavern uit is gezet (wegens het openbreken van de kleedkamers, en ter plekke roken) en die voor de rest enorm in vorm was qua poepen. Met de begeleidende woorden: “Ik ben een romanticus.”
En vriend B. die daar na een hele poos nadenken diep filosoferend aan toevoegde: “Eigenlijk is elke terrorist een romanticus.”

Het was een mooi weekend.

Waar ik zoals gezegd weinig meer van weet. Best jammer. Gelukkig heeft mijn beste vriend I. oog voor detail:

.

Heerlijk. Ik ruik naar een ontploft biervat.
Ik leef.
Optimaal, als altijd.

Herstructurering

“Er komen veranderingen aan”, had het management van de ABNAMRO vorige maand gezegd tegen haar personeel, “maar wees gerust, het betreft hier geen reorganisatie, maar een ‘herstructurering’.”
Persoonlijk fronste ik toen al mijn wenkbrauwen, ik bedoel, heel veel verschil kon ik niet duiden tussen beide woorden, maar het personeel haalde destijds opgelucht adem. “Pfoe”, zeiden ze tegen elkaar bij de koffieautomaat, “ik was even bang dat er weer een paar uit zouden vliegen, maar gelukkig gaat het slechts om een herstructurering, dus waarschijnlijk krijgen we een nieuwe naam.”

Op zich geen onlogische gedachte, want onze afdeling verandert zo ongeveer elke 6 maanden met veel tromgeroffel van titelatuur. Marketing Intelligence, Retail Support Staff, Marketing Operations; ik heb de naamtransformatie al 100.000 keer meegemaakt, maar we doen in feite nog steeds hetzelfde werk: Zorgen dat er reclame op radio en TV komt, en dat er zo afentoe eens een brief bij jullie in de bus valt, om je te verleiden tot het afsluiten van een hypotheek/flexibel krediet/creditcardcontract. Soms wordt het iets spannender, en dan delen we gratis appels uit bij ons filiaal op het Leidse Plein tijdens de opening van de nieuwe buren, de Apple-store. Veel fantasievoller is het inmiddels allemaal niet meer.

Afgelopen dinsdag werd de herstructurering door het management concreet gemaakt. Je raadt het al. Het was uiteraard weer gewoon bijltjesdag.
Aan mijn kantoortuineiland zitten naast mijzelve doorgaans 4 personen. De eerste is mijn directe leidinggevende (de wolfsneus – zie vorige stukje). Zij mocht blijven van zichzelf. De tweede is D., een hoogblonde begin-dertigster, zonder kinderen, die regelmatig zegt: “Ja hallo, dan denk ik dat ik mijn kat ook maar eens eten moet gaan geven”, als een collega er vroegtijdig vandoor gaat, omdat een ziek kind van de creche moet worden geplukt. D. is een keiharde belastingbetaler, zoals ze zelf zegt, maar toegegeven, ze verzet daarnaast serieus bergen werk. Zij kwam er relatief genadig vanaf, werd uit haar functie ontheven, maar krijgt een andere baan binnen de Bank. Weliswaar in een lagere schaal, maar ze mag blijven en dat telt.
Dat gold niet voor mijn 3e kantooreilandcollega; S. Het slimste meisje van onze 25 koppen tellende afdeling. Misschien ken je het type. Zo’n meisje dat voor iedere collega prijswinnende lettercombinaties legt waarmee ze eindelijk eens een potje Wordfeud winnen van dat irritante familielid, zo’n meisje dat weet hoe je vakjes voorwaardelijk rood kan laten kleuren in Excel, zo’n meisje waar iedereen naartoe gaat, als men zit met ook maar het geringste intellectueel uitdagende akkefietje. Want S. tekent het voor je uit. Lost het met plezier voor je op. Ze fikst het. Altijd. S. is het kantoorequivalent van Ed en Willem Bever uit de Fabeltjeskrant.
Net als ik. Eigenlijk zijn we samen Ed en Willem.
Maar S. moet dus pleite. Onbegrijpelijk. Ze is de olie waar de afdeling op draait. Ze heeft alleen niet de tijd gekregen om, net als ik, een onmisbare positie te verkrijgen, middels het eindverantwoordelijk zijn voor een applicatie waar jaarlijks 70 miljoen euro in omgaat. Dus nu mag ze naast haar tevens zojuist ontslagen man op de bank gaan zitten, om uit te vogelen hoe ze hun huis in Almere zo goed mogelijk kunnen verkopen. En hoe ze hun 3 kinderen kunnen voorbereiden op de uitdaging van het maken van nieuwe vriendjes.

Een persoon heb ik nog niet genoemd. En dat is nr 4., mijn collega V. Ik ken V. al vanaf praktisch het begin dat ik bij de Bank kwam. Ze is niet de makkelijkste. Altijd chagerijnig, steevast in de weer met een dieet, stoppen met roken, nooit lukt iets. Ze heeft het niet makkelijk. Ze woont, net als S., ook in Almere.
En dat vind ik persoonlijk een prima excuus, wilde ik zeggen, maar dat is te flauw.
V. ligt slecht bij de afdeling. Ze roddelt nooit, maar is altijd onderwerp van. Dat weet V. ook best. Of ze voelt het alleszins. En dat maakt haar alleen nog maar chagerijniger. Vicieuze cirkel, negatieve spiraal. Toch is V. mijn favoriete collega. Ze is eerlijk, en niet debiel.
V. vindt dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan werk. Zoals koffie. Zwarte koffie, nummertje 11. Maar ook dat is te flauw.
Vorig jaar raakte haar vader in terminale toestand. Kanker. Vlak daarop kreeg haar moeder dezelfde klachten. Guess what? Inderdaad. Het afgelopen jaar heeft collega V. al haar vrije uren opgenomen om zoveel mogelijk mantelzorg te verlenen. Ook als er campagnedeadlines waren. Dat werd haar niet in dank afgenomen. Althans, wel door haar vader en moeder, maar niet door haar collega’s.
Een half jaar geleden overleed haar vader. Vorige week, na een lang ziekbed, werd haar moeder begraven.
Ze verscheen maandag in tranen weer op het werk. Werd door iedereen netjes gecondoleerd.
Maar de dag daarop moest ze op het matje verschijnen.
En daar kreeg ze het te horen: Exit.

De bankwereld is genadeloos. Een van de weinige collega’s die ik heb kunnen betrappen op een hart. Moet weg.    

Op de dag dat ze ontslagen werd liep ik om 17.30 uur per ongeluk min of meer tegelijkertijd met ‘r de bedrijfspoort uit. Dat wil zeggen: ik liep drie meter achter haar. Ze had het niet door.
Ze stak een sigaret op en zuchtte.
Ze hield stil.
Ik hield ook stil; ik durfde haar niet te passeren, sterker nog, ik had liever niet dat ze me opmerkte.
Ze zuchtte nogmaals. Nam een trekje van haar sigaret. Daarna liep ze door naar de metro. Zodat ze in Duivendrecht kon overstappen op de trein naar Almere.
Ik liep langs de flats van Hogevecht naar de tegenovergelegen parkeergarage. Stapte in Sylvester, mijn Volvo.

Ik kon wel janken.

Dus ik ben

Zojuist was op Nederland 2 weer eens een deel uit de populair-filosofische programmareeks “Dus ik ben” te zien. Voor wie terugschrikt van het woord filosofie: Geen paniek! Okay, de titel is afgeleid van de stelling van filosoof Descartes; “Ik denk, dus ik ben”. Maar daarmee heb je het filosofie-gedeelte eigenlijk al grotendeels gehad. Tijdens de uitzending wordt door programmamaakster Stine Jensen heel af en toe nog wel een citaatje van Nietzsche aangehaald, of naar een bewering van Heidegger verwezen, maar serieuze voeten in de aarde krijgen die niet. Het programma verslaat merendeels de persoonlijke ervaringen van Stine zelve, inzake het thema van de week.

Vorige week was het thema ‘lijden’, waarbij Stine haar verslaving aan bergsportboeken uit de doeken deed. Deze week was het thema ‘werk’. “Ik werk, dus ik ben.”
Stemt tot nadenken, nietwaar?
Stine interviewde tal van deskundigen om uiteindelijk via schrijfster/filosofe Joke Hermsen tot het inzicht te komen dat ze meer rust moest nemen. Joke bepleitte namelijk een 5-urige werkdag voor ‘zowel vuilnisman als directeur’. Op de vraag ‘waarom’, antwoordde Joke: “omdat we anders geen tijd hebben om alle indrukken te verwerken. En dat is nodig om inzicht te verkrijgen.”
“En meer inzicht leidt tot een beter uitzicht!”, zei Joke er lachend achteraan.
De meisjes zaten op een bankje in een groen en glooiend landschap, met een goede fles witte wijn tussen ze in.
“Die ga ik op een tegeltje laten zetten!” riep Stine.
Heel gezellig.

Wat ik wil zeggen: erg kritisch waren de interviews niet. Telkens als een deskundige iets beweerde, dan zei Stine er na afloop middels een voice-over achteraan: “dus ik moet..”
Als arbeidssocioloog Richard Sennett zei dat er veel nadelen zaten aan het ‘nieuwe werken’ (lees thuiswerken), omdat “informeel gebabbel bij de koffieautomaat ook heel belangrijk is”, dan trok Stine in haar voice-over de conclusie: “dus ik moet meer bij de koffie-automaat gaan staan.”

Jonge, dynamische flexwerker Stine waaide met elke deskundige wind mee die er woei. Dat kun je positief opvatten. Immers, waarom twijfelen aan het oordeel van iemand die veel meer verstand van zaken heeft dan jijzelf? Aan de andere kant kun je denken: wat een slechte journaliste. Of: Wat een dombo uberhaupt.

“Dus ik moet…”
Dat is weer eens iets anders dan “Dus ik ben”. Maar misschien vatten die twee het huidige moderne werkende leven bijelkander goed samen.
Althans voor mij. “Ik ben, dus ik moet”. Ik ben ICT-werknemer die gedetacheerd is bij de ABNAMRO. Ik moet een boel. Ik moet, naast in mijn eentje het werk zien te rooien dat hiervoor door 4 FTE’s werd gedaan, ook nog eens activiteitenrapporten en urenverantwoordingen opstellen voor mijn 9 verschillende managers, dagelijks voor een stoel vechten aan een kantooreiland wegens te krap ingeschatte flexplek-capaciteit, en dan heb ik het nog niet eens over een kansloze plaats in de overvolle parkeergarage, of het tijdsverlies in de rij voor de schaarse koffie-automaten.

Je zou van minder aan de drank gaan. En/of de sigaretten.
Ik deed het allebei, maar dat is tegenwoordig ook al lastig aan het worden. Mijn directe leidinggevende heeft een neus als een wolf. Qua reukvermogen bedoel ik, niet per se uiterlijk. Pas leende ze het mobieltje van een stagiaire omdat haar eigen telefoon leeg was. Wat overigens niet zo gek is, want ze hangt de helft van de dag aan de lijn met haar moeder, maar dat terzijde.
“Jij bent een roker”, zei mijn leidinggevende stellig tegen de stagiaire.
Die een rooie kop kreeg. “Hooguit 2 per dag”, zei de stagiaire, “en dan alleen in het weekend, maar hoe weet je dat?”
“Ik rook het aan het mondstuk van je telefoon.”
Het is dezelfde leidinggevende die regelmatig opmerkingen maakt over de schoonmakers, dat ze stinken. En over de jongen die de printercartridges verving. Dat ie een broodje met inktvisringen had gegeten. “Ik ruik die saus vanaf hier”, zei ze, terwijl ie 10 meter verderop in de weer was.
Durf dan maar eens te drinken op een doordeweekse avond.
Pas moi. Not anymore.

En dat is ronduit kut. Het schopt mijn leven overhoop. Ik kan geen leuke drinkdingen meer doen doordeweek. Geen dichtersavonden, geen concerten, geen etentjes, geen cafebezoek met vrienden. Geen diepgravende gesprekken met mijn geliefde, laat staan sex, geen films kijken waarin gedronken wordt, en al helemaal geen series als Madmen.
Doordeweek is voor mij: uitzitten. Prisontime. Blauwe knoop. Ik maak mezelf wijs dat het ergens ook wel goed voor me is. Gezond en dergelijke. En dat zal het ook heus wel zijn. Maar op deze manier gaat de 2e helft van mijn leven, die sowieso altijd al veel sneller gaat, verdomde hard voorbij.

Terug naar “Dus ik ben”. Of gespecificeerder: “Ik werk, dus ik ben. Filofoof Alain de Botton zei: “Je haalt alleen voldoening uit je werk als het weerspiegelt wie je zelf bent.”
Vroeger deed werk dat met mij. Ik was mezelf. Toen ik in 1996 begon met serieus werken (dus afgezien van krantenwijken, vakkenvulwerk, uitzendbaantjes en militaire dienst) werd ik gedetacheerd bij Robeco. Mijn leidinggevende ter plekke was naast een getapte jongen, een zware drinker. Mooie tijden. Legendarische teambacchanalen op kosten van de zaak. Er werd wegens gemiste laatste treinen regelmatig onder kantoorbureaus overnacht en we kwamen, om met Joke Hermsen te spreken, tot diepe inzichten. Madmen apres la lettre. Maar bovendien, en laat dat niet onvermeld blijven: Robeco deed het niet slecht in die dagen. Integendeel. We scoorden vet boven de benchmark.

Maar het mag niet meer. Een mentaliteit vermoord door de tijdgeest.
Slim en intuitief versus protocollen en safety first.
Inzicht versus timesheets
Brille versus regels

Dus ik ben…
Tsja, wat ben ik eigenlijk?
Ik bedoel, naast een alcoholist?

Ik weet het niet. Hooguit on the edge of something different.

Beatelen

27 jaar geleden kreeg ik een proefwerk terug met een complete alinea aan rood commentaar van mijn toenmalige leraar Engels. In eerste instantie schrok ik, maar nadere bestudering leerde dat het hier geen correctieve vermaning betrof, maar een sprongetje in het hart van een doorgaans verbitterde en zwaar cultuurpessimistische VWO-docent.
“It’s amazing!”, had hij geschreven, “I’ve looked it up, and you’re right! You almost made me cry.”
Wat er gebeurd was?
Bij een multiple choice vraag inzake de vervoeging van een of ander werkwoord had ik antwoord ‘B’ aangekruisd, en daarnaast in de kantlijn geschreven: “Ik weet niet of het goed is, maar zo wordt het tenminste gezongen op het 2e nummer van kant B van Sgt Pepper.”

Na de les waarin we het proefwerk hadden teruggekregen riep hij me nog even bij zich. “Wat leuk dat er nog gebeatled wordt door jullie jongelui”, zei ie.
De rest van de klas was inmiddels verdwenen.
“Och ja”, antwoordde ik terwijl ik mijn schouders ophaalde. Ik was een beetje nerveus en wilde het liefst zo snel mogelijk de pleiterik maken. Ik maakte me zorgen over mijn imago. Praten met leraren is nooit een goed plan op dat gebied.
“Ben je een grote fan?” vroeg ie, “wat is je favoriete nummer?”
“Eh.. euhm”, zei ik. Dat twijfelen was overigens nergens voor nodig. Dagelijks maakten ik, mijn beste vriend en mijn zusje onze eigen Beatle-top 30′s en Beatle-tipparades met stipnoteringen en alles, op zelfgekleurde A4-tjes met een overdaad aan sterretjes en bliksemschichten. Meestal stond Helter Skelter op 1. Heel soms I am the Walrus. Of, als mijn zusje jarig was, Penny Lane.
“When I’m 64″, zei ik tegen de leraar Engels. Dat was immers het 2e nummer van kant B van Sgt Pepper. Never change a winning antwoord.
“Really?” vroeg ie. Hij keek teleurgesteld.
“Ik weet het niet”, zei ik, en haalde opnieuw mijn schouders op, “maar ik moet er vandoor, want ik heb nu wiskunde.”
“Het mijne is Fool on the hill!” riep ie me na, “en Eleanor Rigby, met die vioo…, je vergeet je tas!”
Ik liep terug voor mijn klassieke lederen schooltas. Ik haatte die tas. Het was een tas voor sukkels. De populaire mensen uit mijn klas hadden een uit de kluiten gewassen boodschappenzak van canvas met onhandig lange hengsels. Die wilde ik ook. Maar die mocht ik niet van mijn moeder.
“Klopt het dat jij verliefd bent op Astrid?” vroeg mijn leraar Engels, terwijl ik mijn tas weggriste.
Ik kreeg een rooie kop. Hoe wist ie dat nou weer? Zonder iets te zeggen beende ik het lokaal uit.
“Volgens mij is ze ook gek op jou!” riep de leraar me na.
Hou in godsnaam je muil, mompelde ik in mezelf, “ze heeft al een vriend!”, zei ik vanuit de deuropening.
“Ja, een dokterszoontje. Maar dat is geen echte liefde, volgens mij ben jij..”
De rest van zijn opmerking stierf in het ruisende geluid van 2000 scholierenschoenen op linoleum.   

Astrid. De jonge Brooke Shields-lookalike. Daar zou ik nog wel eens een keertje een gedicht over willen schrijven wou ik zeggen, maar dat heb al gedaan. Althans fictief (diehardfans, en gelukkig zal ik dat op mijn eentje zijn, weten welke).
Maar nu ik wat ouder ben zou ik eerder een gedicht willen schrijven over die leraar Engels. Dat moet een leuke man zijn geweest. En pienter niet te vergeten. Hij zat 9 maanden per jaar overspannen thuis, maar was desondanks, of misschien juist wel daardoor, een mirakel van mensenkennis.

Anyway. Aan die leraar Engels moest ik denken toen ik gisterenmiddag bij Ahoy aankwam. Het was half 3 en er stond een rij:

WTF!? dacht ik. Zo’n 30 jaar geleden, de vorige keer dat McCartney in Ahoy speelde, stonden ik, mijn beste vriend en mijn zusje al om half 8 ‘s ochtends voor de poort, maar was er voor de rest geen hond, en er kwam ook de hele dag geen hond, totdat meer dan 12 uur later, om 8 uur ‘s avonds, het concert begon. De enige sterveling die we destijds overdag waren tegengekomen was een paniekerige verslaggever van Radio Rijnmond die een sfeerverslag-item over McCartney/Beatle-mania wilde doen, maar die het toen dus noodgedwongen moest doen met ons, een stelletje relatieve kleuters. We waren de enige zielen in de grijze mist op de eindeloze betonnen vlakte.
“Komen jullie voor Paul McCartney?”, vroeg de verslaggever.
Wij zogen aan de rietjes van onze bananenTjolk, en nadat we uitgezogen waren zeiden we: “Ja.”
“Waar komen jullie vandaan als ik vragen mag?”
“Tiel”, zeiden wij.
“Kennen jullie zijn laatste LP, ‘Press to play’?”
“Zeker”, zei ik, “De beste nummers vinden wij het openingsnummer ‘Stranglehold’, en het vierde nummer van kant 2: ‘Angry’.
“Zo zo”, zei de verslaggever, “en wie is deze wijsneus uit Tiel?”
Ik noemde mijn naam.
Daarna zijn we op zoek gegaan naar een telefooncel om onze ouders te bellen om te zeggen dat we op de radio waren geweest.

Maar ik dwaal af. Er stond dus een rij! Er wordt kortom weer gebeatled, om met mijn voormalige leraar Engels te spreken, en een stuk serieuzer dan 25 jaar geleden.
Ik, mijn beste vriend en mijn zusje zijn er te oud voor geworden. Wij gaan niet meer om half 8 ‘s ochtends voor de deur staan. Wij vinden nu vooral dat het leuk moet zijn, comfortabel. Dus zaten wij met een groep van vijf Tielenaren de hele middag op het terras van Grand cafe de Rustburcht bij het Zuidplein, op een steenworp afstand van Ahoy, in de stralende lentezonne, waarbij we de horeca-rekening lieten oplopen tot ver in de drie decimalen voor de komma.
“Een bittergarnituur?” vroeg de eigenaar, “koud of warm?”
“Ik hou niet zo van koude bitterballen”, zei mijn beste vriend, “dus doe maar warm”.

Kacheltjelam schoven we om 8 uur aan in Ahoy. En zagen Macca het beste concert geven dat ie ooit heeft gespeeld. 69 jaar, bijna 70 (18-6-1942), maar enorm goed bij stem, hij haalde elke hoge noot alsof ie 20 was. Als klapper op de vuurpijl speelde ie 1985, een B-kantje, maar de alltime nr 1 uit onze individuele overall McCartney-top 30′s.
“Had jij hier niet ooit een clip bij gemaakt?” vroeg vriend A., “op de commodore 64?”
Het was waar. Ik heb destijds met slashes en pipes een piano getekend, en middels het commando poke53821,0 een zwarte achtergrond geprogammeerd, en via ingewikkelde subroutines de timing gestuurd opdat de tekst op het beeldscherm parallel liep met de muziek van mijn cassetterecorder.

1985. Dat was toen nog toekomst.

Macca speelde het gisteren. En wij, we waren de gelukkigste mensen van het Oostelijk halfrond, het Westelijke erbij.
En toen zag ik ze. Toen zag ik 2 meisjes.
“Mag ik een foto van jullie nemen?” vroeg ik.
Dat mocht.
Vriend A. wilde er ook op met zijn dronken kop:


“Gave foto!”, whatsappte ie vanmorgen terug. En zo is het.

De Peppermeisjes. Mijn leraar Engels had gelijk. Eleanor Rigby is een heel mooi nummer. Net als fool on the hill. Maar het belangrijkste is dat er gebeatled wordt.

Antwerpen

Sorry lieve lezers, afgelopen zondagnacht geen stukje. Het gewone leven ging even voor in de vorm van een dagje Antwerpen. Gisteravond kon ik het ook niet goedmaken, want: jureren bij de Festina Lente Poezieslag, zoals elke 3e maandag van de maand. Het enige wat ik kan doen om jullie trouwe vogels tegemoet te komen is het plaatsen van een aantal foto’s om mijn spijbelen te verantwoorden.

Enfin. Antwerpen dus. Alwaar L. en ik eenmaal daar, doorgaans den ganse middag vertoeven in de Kloosterstraat. Voor de kenners: inderdaad, daar zitten de antiekwinkels.

Mijn favoriete:

Geef toe, dat is een briljante naam.

Het is een enorm nuttige zaak. Voor als je bijvoorbeeld:

Een botsautootje wilt aanschaffen.

Of een:

Baviaan

Of, als je meer bent van de belangwekkende voorwerpen met historische relevantie:

Maar je kunt er uiteraard gelukkig ook gewoon muf ruikende stoeltjes en beschimmelde kledingkasten kopen.

Vervolgens kun je even verderop, naast het museum (who needs a museum als je Tantes Brocante hebt, maar dat terzijde), een versnapering nuttigen in een uitspanning die louter koffie en wijn serveert, sympathieke combi overigens, en waar vogeltjes met pootjes van frietvorkjes aan het plafond hangen, die middels een ingenieus touwtjessysteem opstijgen wanneer de deur opengaat.

Antwerpen, I love her. Je krijgt er de lente van in je kop. Of zoals op de muren aan de rand van het verraderlijk bekuilde, maar gratis parkeerterrein aan de Schelde was geschreven:

Ik zeg: Prima openingszin.

Auto kopen

Ruim twee weken geleden, op Texel, kreeg ik een telefoontje. “Het gaat niet goed met de Purple Haze”, vertelde mijn garagist. Of nou ja, zo zei hij het niet, hij zei: “Ja met Cees, van de APK, moet je luisteren: Je auto ben technisch en economisch gesien overleje.”
“Hoe bedoel je?” vroeg ik, terwijl de zuidwestenwind die door de Slufter joeg, mijn mobieltje uit mijn klauwen probeerde te rukken.
“Nou, dat het dus feitelijk in principe geen sin meer heb om ‘m door de APK heen te krijgen, in wezen. D’r moet soveel aan gesleuteld worden, dat jij en vooral je portemonnee er niet vrolijk van gaan worden.”
“Waar moet ik dan aan denken?” vroeg ik.
Cees slaakte een diepe zucht. Zo diep dat ik ‘m ondanks de gierende wind kon waarnemen. Daarna begon ie een lijst met mankementen op te noemen die zo lang was dat ik het idee kreeg eerder die week i.p.v. een Volvo 440 een ontbindend karkas op wielen te hebben afgeleverd. En dan zonder de wielen, want die waren dus ook al niet meer goed. Werkelijk alles bleek naar de kloten; van de ruitenwissers t/m de radiateur, van de rubberen uitlaatringetjes t/m de remmen.
“Hij heb achter nog maar 20% van z’n remkracht over”, zei mijn garagist, “en 1 remschijf is sowieso totaal geblokkeerd.”
Ik kan niet zeggen dat ik heel erg verrast was. Het was me opgevallen dat als ik in de auto van bijvoorbeeld mijn moeder reed, ik verdacht snel stilstond als ik op de rem trapte.

Ik moest denken aan een radiouitzending van een tijdje geleden, waarin melding werd gemaakt van een man die was aangehouden omdat ie rondreed in een Renault 4 zonder remmen. Het verweer van de man luidde dat ie dat al 20 jaar deed, en dat ie er nooit problemen mee had gehad. Hij remde gewoon op de motor, vertelde ie. Als ie een stoplicht naderde schakelde ie terug naar de 1e versnelling, wat doorgaans voldoende was om snel genoeg stil te staan, en zoniet dan trok ie in noodgevallen de handrem aan.

Wat ik wil zeggen: alles went. Maar ja, de APK. 
“1500 euro”, besloot Cees de lijst, “minimaal, en dan heb ik nog niet eens alles nagelopen, dus…”
“Okay, okay”, zei ik, “ik haal hem vrijdag op, en dan breng ik ‘m zelf wel naar de sloop.”
“Heel verstandig”, zei Cees.

Ik heb daarna nog een volle week in de Purple Haze rondgereden. Er zat immers nog zo’n 40 liter benzine in, en de oude APK verliep pas die zaterdag erop. Bovendien had ik ‘m nodig om een nieuwe auto te scoren, want garages die goedkope tweedehandsjes verkopen zitten zelden op plekken die perfect bereikbaar zijn met het openbaar vervoer, maar des te vaker op louche in verval geraakte industrieterreinen danwel in desolate uithoeken van uitgestrekte polderlandschappen.

Een nieuwe oude auto scoren. Het is een vak op zich. The Purple Haze had ik ooit op de kop getikt aan de rand van Haarlem, waar ik mijn toenmalige rode 440, The Red Horse, met zijn laatste krachten naartoe had weten te sporen. De dienstdoende autoverkoper had twee Volvo’s in de aanbieding. Ik maakte in beiden een proefritje. Ze reden beiden voor geen meter. Van mijn ex-vrouw, die ooit een automonteurcursus heeft gedaan, had ik geleerd dat je vooral moest letten of de koppeling niet te laat pakte, en niet te stroef liep, want als dat zo was, dan zou je versnellingsbak binnenkort naar de gallemiezen gaan. Bij beiden pakte de koppeling laat en liep ie stroef. Dat zei ik dan ook tegen de verkoper.
“Och, dat is gewoon een kwestie van afstelling”, zei ie, “wacht maar ff”, en hij dook met z’n gereedschap in de mechanieken.
“Zo, dat is ook weer gefikst”, zei ie, “probeer het nu nog maar eens.”
Er bleek niets veranderd.
Maar ik moest een nieuwe auto. Ze waren beiden 1100 euro.
“Krijg ik nog wat voor mijn oude?” vroeg ik.
Zonder te kijken bood ie me 400 voor de oude.
Die is gek, dacht ik, en besloot er 1 te nemen. “Doe maar die ene zonder de airco dan”, zei ik. Want het leek mij dat dat dan de beste van de 2 moest zijn, aangezien ze even duur waren, en het gebrek aan airco waarschijnlijk door iets belangrijkers waar ik nog geen weet van had, gecompenseerd zou worden.
Slechts 700 ballen voor een verse Volvo, met een nieuwe APK. Holadiejee!

En ik heb er een hoop lol van gehad. Ruim 5 jaar in rondgereden. Okay, na het eerste jaar stond ik inderdaad op de terugweg van Spanje met een kapotte versnellingsbak langs de Peage, maar dat heb ik zwart laten repareren voor weinig (lang leve Cees), en sindsdien reed The Purple Haze perfect en was ie mijn trouwe vriend.

Diezelfde trouwe vriend nam mij vorige week op sleeptouw naar Amersfoort. Om twee potentiele vervangers te gaan keuren. Ik had ze gezien op marktplaats.nl. 700 euro. Beiden groen. Ik had na een witte, een blauwe, een rooie en een paarse weleens zin in een groene, dus daar gingen we, op mijn thuiswerkdag: Op naar Amersfoort.

Ik reed met The Purple Haze het garageterrein op, waar meer dan 200 wrakkige auto’s als legbatterijkippen binnen zo min mogelijk vierkante meters waren geperst. Het kwam me voor als een slecht teken. Ze zagen er droevig uit, de auto’s, als asieldieren, wachtend op verlossing tegen beter weten in.
Ik liep het kantoortje binnen waar een Turk achter een computer online zat te pokeren. Toen hij me zag stond hij op, schudde me de hand, en vroeg of ik de man was die telefonisch had geinformeerd naar de Volvo’s.
“Dat ben ik inderdaad”, zei ik.
“Loopt u maar mee”, zei de Turk, “waar komt u trouwens vandaan als ik vragen mag?”
“Amsterdam”, zei ik.
“Amsterdam”, zei de Turk, “een prachtige stad, heel mooi wonen ook daar, fantastisch.”
Ik dacht: dit gaat de verkeerde kant op.
De Turk liep naar het achterste gedeelte van het garageterrein. Daar stonden inderdaad 2 groene Volvo’s, strak ingeparkeerd tussen rijen vol gebutste Golfjes, verroeste Citroens en Hyundais die door hun hoeven waren gegaan.
“Zeg maar welke van de 2 je wilt hebben”, zei de Turk, “dan maak ik de papieren alvast in orde. En ik geef u een nieuwe APK.”
“Euh…”, zei ik.
“Ja, wat?” vroeg de Turk.
“Zou ik er misschien eerst even een stukje in mogen rijden?”
“U wilt er eerst in rijden?”
“Euh, ja…”
De Turk keek bedenkelijk.
“Kunt u er dan eerst 1 kiezen? Want het is nogal een werk om ze eruit te krijgen.”
Ik wees er eentje aan. De Turk probeerde m te starten. Dat lukte niet. Wel loeide het autoalarm op. Hij kreeg het niet uit. Dat deed het na een halve minuut van zichzelf, als een stervende zwaan, op een wijze die deed vermoeden dat de accu nu echt helemaal leeggetrokken was.
Daarna wees ik de andere maar aan. Die kreeg ie ook niet gestart.
“Wacht”, zei ie, “ik haal de startkabels.”
Terwijl de Turk de kabels haalde bekeek ik beide Volvo’s van binnen. Er zaten grote gaten in de portieren waar vroeger speakers moesten hebben gezeten, het dashboard vertoonde soortgelijke gaten, de kilometerstanden waren meer dan 70.000 hoger dan de opgegeven waarden op marktplaats.nl, maar vooral kwamen ze griezelig over.
Daar was de Turk weer. Hij kreeg m.b.v. de kabels de meest luxe Volvo, eentje met lederen bekleding, uiteindelijk gestart. Een koplamp deed het niet, de achterverlichting disfunctioneerde in zijn geheel, maar het autoalarm deed het weer, in al zijn voegen, en deze keer wist hij het handmatig uit te schakelen.
“Geloof me, hij rijdt geweldig”, zei ie, terwijl ie me de sleutels overhandigde.
Ik reed voor de vorm een rondje in de woonwijk. De motor sloeg 3 keer af. De auto haperde bij elke drempel, bij elk stoplicht.
Terug bij de Turk zei ik: “Het is een prima auto voor 700 euro. Maar ik denk er nog even over na.”
“Waarom moet u er nog over nadenken als ie prima is?”
“Er staat 70.000 meer op de teller dan je op marktplaats had gezet.”
Ik was blij met mijn geldige excuus. Ik wilde zo vlot mogelijk pleite.
“Is dat zo? Sorry, dat was dan waarschijnlijk een tikfoutje.”
“Ik laat het je zo snel mogelijk weten, ik bedoel wat mijn beslissing is”, zei ik, “doei!”

“Het is oneerlijk”, zei ik tegen de Purple Haze, op de terugweg naar Amsterdam, “jij bent zoveel beter dan die 2 groene, en toch mag jij straks niet meer rijden.”
De Purple Haze zei, tegen zijn gewoonte in, niets terug. Ik kon dat wel begrijpen.

Uiteindelijk ben ik later die dag beland in Lijnden. Een gehucht onder de kerosinedampen van Schiphol. Daar was ook een garagist die 2 Volvo’s verkocht. Dealeronderhouden. Een roodbruine en een grijze. Ze stonden vriendelijk opgesteld. En de garagist was een aardige gozer, hij leek een beetje op de weerman Piet Paulusma, en zo praatte ie ook, maar dan nuchter.
Ik probeerde eerst de roodbruine. Vergeleken bij de groene uit Amersfoort was dit een geschenk, ware het niet dat ie een beetje moeite had met bochten. In de zin van dat je elk moment het idee het dat het stuur zou afbreken, zoveel kracht moest je zetten. Oftewel geen, danwel defecte stuurbekrachtiging.
Toen probeerde ik de grijze. Een automaat, zeer tegen mijn principes in. Maar ik wist niet wat me overkwam. Het was alsof ik in een tank zat, zo stevig lag ie op de weg. Ik reed over de Lijnderdijk in het donker, het dashboard was verlicht, de stoelverwarming stond aan, ik werd gemasseerd waar ik bij zat, en niks schakelen maar gewoon een beetje gas geven, een beetje remmen en sturen met een handpalm. Man, als ik een kat was geweest, ik zou de longen uit mijn lijf hebben gesponnen.
Dit was ‘m. Defenitely.

Grijs. Niet mijn kleur. Maar met een beetje fantasie is grijs zilver. En daarom, precies daarom en mede omdat ie als een tank op de weg ligt en omdat ik me er een kat in voel, heb ik ‘m Sylvester gedoopt. Dit is m:

“Wat denk je?” vroeg ik aan Pieter Paulusma, “gaat ie nog wel even mee?”
“Hoeveel rijd je per jaar?” vroeg ie.
“12.000 kilometer”, zei ik.
“O, dan ga jij er nog wel een paar jaartjes plezier aan beleven.”

Ik wil ‘m zo graag geloven. Hoewel ik eigenlijk weet dat het voor dit geld niet kan. Toch heb ik ‘t weer op gegokt. Het blijft namelijk de goedkoopste en leukste manier van rijden. Barrels opkopen voor weinig. En dan hopen dat het geen barrel blijkt, maar gewoon het mooiste meisje van de klas dat toevallig in haar nadagen verkeert, maar die nog een prachtige herfst van haar leven te gaan heeft.

 

Texel (2)

Ik ben weer op de wal. Op het vasteland bedoel ik. Of nou ja, terug van Texel dus.

Het is vreemd hoe dat werk op je psyche, zo’n eiland. Áan de ene kant voelt het als een andere wereld, als een oase van vrijheid. Aan de andere kant zou je vermoeden dat je je enigszins opgesloten voelt op zo’n door zee ombakend grondgebied, temeer daar Texel nou niet bepaald groot is. Ik bedoel, het is geen Australie ofzo. Integendeel, het is in feite niet veel meer dan een uit de hand gelopen bijelkaar gewaaide zandbank, die bovendien relatief vlak naast de deur ligt en waar ze naast Duits helaas ook prima Nederlands spreken.

Toch overheerste het vrijheidsgevoel. Ik ervoer de omgeving als bijkans verlatener dan het platteland van Frankrijk. Dat laatste kan uiteraard aan het seizoen liggen, want het is winter, en in de winter is het vaak stil op plekken waar het in de zomer juist druk is.

Zo ook op Texel. Op de terugweg van mijn heroische voettocht naar het zuidwestelijkste puntje van het eiland (zie vorige stukje), meerde ik aan in een cafeetje in Den Hoorn, dat trouwens veruit het schattigste dorpje van Texel is.

In de uitspanning waren drie kinderen in de weer met een kingsize Jigsaw-puzzel. Twee vrouwen bepten elkaar aan het belendende tafeltje in West-Fries dialect bij, inzake plaatselijke voorvallen die qua belang enigszins boven de dagelijkse beslommeringen uitstegen, en aan de toog zaten vier door de elementen getekende mannen stilzwijgend Texels bockbier te hijsen met borreltjes ernaast. Nadat ik me goed en wel door de deur (die behoorlijk klemde) had gewrongen, draaiden alle ogen mijn kant op. Niemand zei iets. Ze staarden me enkel aan.

“Goedemiddag!”, zei ik om de peilloze stilte van de 20 pupillen te doorbreken, “zijn jullie open?”

Alle ogen draaiden nu vragend richting de barvrouw, een struise blonde.

De barvrouw peinsde een moment. Daarna zei ze: “Ehm, ik denk het wel. Wou u iets bestellen? Of moet u alleen naar het toilet?”

Ik moest pissen als een paard, maar dat durfde ik nu niet meer te zeggen. Ik zei: “Heeft u ook bockbier?”

“Uiteraard”, zei de barvrouw, en zette een bol glas tegen de tapmond.

Ik dronk mijn bockbier. De kinderen gingen voort met hun puzzel, en de vrouwen met hun conversatie. Maar de mannen, ze bleven me vanuit hun ooghoeken begluren. Toen moest ik nog nodiger pissen. Maar ik dacht: dat doe ik later wel ergens, in het bos ofzo.

Misschien niet het beste voorbeeld van je helemaal vrij voelen, besef ik terwijl ik dit neertik. Aan de andere kant ook juist wel. Het betekende alleszins dat Texel afgelopen week voornamelijk werd bevolkt door de locals, en dat er van toerisme weinig sprake was. De oorspronkelijke bewoners genoten van hun relatieve rust. Net als de vogels in hun broedgebieden, de schapen in het veld en de fazanten op de hei.

En net als ik dus. Rust en ruimte, wijdse vrijheid. Geweldig.

Kortom: ik kan het iedereen aanraden: Texel in de winter. Maar dat doe ik natuurlijk niet. Ik zou daar gek wezen. Het zijn van die ontdekkingen die je graag voor jezelf houdt.

Dat moet ook onderstaande grote grazer, tevens geen oorspronkelijke inheemse bewoner, hebben gedacht. Grote grazers. Je kent ze wel. Ze lopen tegenwoordig rond in zo’n beetje elk natuurgebied dat Staatsbosbeheer, enfin, beheert. Ze schelen de dienst een hoop grasmaaien, en dat is handig, zeker met de bezuinigingen enzo. En ik vind grote grazers persoonlijk ook fantastisch. Ik bedoel, afgelopen zomer heb in in de Kennemerduinen nog zij aan zij met ze aan een strandje bij een vennetje gelegen, maar de liefdesgevoelens waren afgelopen donderdag niet geheel wederzijds.

Deze knakker versperde me de doorgang over de route van het Texelse Pad en was niet van zinnens aan de kant te stappen. Integendeel. Hij snoof.

“Ja fuck”, zei ik, “sorry hoor, maar ik moet er langs. Ik moet naar paal 9.”

Hij snoof opnieuw.

Ik besloot het over een andere boeg te gooien; “Vind je het okay als ik een foto maak?” vroeg ik, “want dat is misschien leuk voor mijn blog. Het wordt niet slecht gelezen, dus wie weet word je…”

Hij hief zijn rechtervoorpoot op en maakte een aantal schrapende bewegingen over de aarde.

“Roger”, zei ik, “begrepen, comprendre e capito”, en liep zo rustig, maar toch vooral ook zo snel mogelijk achteruit.

Daarna nam ik met sneaky ultrazoominstelling alsnog de foto. En rende vervolgens off-road via de hei naar een punt waar ik de tocht kon hervatten.

Bij strandtent Paal 9 dronk ik 10 minuten later een bockbier. Ik luisterde de gesprekken af van de andere eenzame wandelaars. “Bij de Geul (iets ten zuidoosten van paal 9 – pdn) moet je zijn”, zei iemand, “daar zijn de lepelaars net teruggekomen uit Afrika.”

“Nu al?”

“Nu al.”

Duidelijke taal. Wat zal ik zeggen lieve lezers? Ik heb me het schompes gewandeld. Heerlijk. Dit zijn mijn schoenen:

 

Need I say more? Dit zijn mijn schoenen van 10 jaar oud. Dit zijn de schoenen die me al over vele Alpentoppen hebben geholpen, dit zijn de schoenen van het type niet lullen maar lopen, dit zijn de schoenen waar ik zielsveel van houd.

Bon. Tot zover Texel.

Een plaatje wil ik jullie echter niet onthouden. Op twitter heb ik ‘m reeds een paar keer genoemd, maar zoals zenz*** al zei: “Hij blijft leuk”.

Op de auto-navigatie ontdekte ik per toeval een fascinerende manier van naamgeving op Texel. En door die naamgeving moest ik naar die plek toe. Haar van dichtbij zien. Of het echt waar was. Middels een voettocht. Ik heb er lang naar moeten zoeken, maar werd uiteindelijk beloond met een abri waarin op een kaart de naamgeving optimaal werd benadrukt met een pijl.

Dus hier komt ie dan. Met dank aan de wonderlijke terminologie van het eiland:

Of zoals mijn beste vriend zou zeggen: “Gek op Texel!”